skip to Main Content
Est. JUNI 2015
De Brown’s Chicken Massacre (deel 1) – Hoe Een Brute Overval Het Bankroet Betekende Van Een Florerende Fastfoodketen

De Brown’s Chicken Massacre (deel 1) – hoe een brute overval het bankroet betekende van een florerende fastfoodketen

De Brown’s Chicken Massacre (1993 in Palatine, Illinois) staat te boek als een uit de hand gelopen roofoverval. Hoewel: eigenlijk was het vooral een brute slachtpartij, die zeven mensen het leven kostte. Saillant: de tot dan florerende fastfoodketen (300 filialen!) ging als gevolg van de moordpartij failliet, de kinderen van de franchisehouders bleven berooid achter, terwijl de tot levenslang veroordeelde hoofddader achter de tralies een half miljoen dollar aan smartengeld opstreek.

Palatine is een suburb ten noordwesten van Chicago, in Cook County. Tegenwoordig heeft het slaapstadje een kleine 70.000 inwoners, maar aan het begin van de jaren ’90 was het nog bijna de helft kleiner. Palatine ligt ingeklemd tussen Schaumburg (thuishaven van techgigant Motorola), Arlington Heights en Barrington, waar veel oud geld zich tussen de bossen en weiden heeft verschanst.

Doorgaans was en is er in Palatine weinig loos. De plaats heeft dan ook weinig om zich voor op de borst te slaan. Zanger Ted Nugent groeide er op, terwijl Palatine bovendien de thuisbasis is van de wereldberoemde Weber barbecuegrill. Maar daarmee hebben we de krenten wel uit de pap gehaald, want Palatine fungeert vooral als woonplaats van forenzen die werkzaam zijn bij Motorola, Sears (hoofdkwartier in het naburige Hoffman Estates) en in The City (Chicago).

Begin jaren 90 van de vorige eeuw staat er aan 190 W Northwest highway, op de hoek van Route 14 en N. Smith Street, een filiaal van Brown’s Chicken & Pasta. De fastfoodketen is in 1949 opgericht door John Brown in Bridgeview, IL, en is in 1993 uitgegroeid tot een keten met ruim driehonderd vestigingen in dertien Amerikaanse staten. De vestiging in Palatine wordt bestierd door het echtpaar Richard (50) en Lynn (49) Ehlenfeldt. De Ehlenfeldts hadden hun hele leven gespaard om de franchise van Brown’s in Palatine te kunnen overnemen. Dat deden ze in mei 1992. En wat waren ze trots op hun restaurantje.

Dit artikel lees je gratis. Als het bevalt kun je onderaan een kleine bijdrage doen, zodat ik dit soort artikelen kan blijven schrijven

Op zo’n viereneenhalve kilometer ten zuiden van het restaurant, op ongeveer acht minuten rijden met de auto, ligt aan 1000 S. Quentin Road de grootste middelbare school van Palatine. William Fremd High School heet het, kortweg Fremd, genoemd naar de man die zo’n 45 jaar had gediend in verschillende schoolbesturen in de regio.

Het is op Fremd – home of the Fremd Vikings – dat Jim Degorski en Juan Luna elkaar leren kennen. Voor Degorski lijkt al als puber een criminele levensstijl in het verschiet te liggen. Het joch heeft al gauw een klein strafbladje opgebouwd. Hoewel nog maar twintig jaar oud, staat hij al bekend als wife beater. Dat etiket is welverdiend, nadat twee van z’n ex-vriendinnen aangifte deden van mishandeling. Ook brak hij met wat vrienden al eens in op een bouwplaats en hield de politie hem aan in een gestolen auto.

‘Hij heeft een kort lontje, is een stevige drinker en erg op zichzelf’, zo omschrijft z’n ex-vriendinnetje Kristin Smith hem tegenover de Chicago Tribune. Ze zegt dat hij haar regelmatig sloeg.

Bij hem thuis in de garage in Hoffman Estates, schept Degorski er samen met z’n maatje Juan Luna genoegen in om buurtkatten en andere kleine beesten te martelen. De twee lijken elkaar met hun voorliefde voor gruweldaden te hebben gevonden. Luna wilde echter meer, zo had hij zijn vriend op een onbewaakt ogenblik en in een vlaag van overmoed bekend. Luna wilde iemand vermoorden. Een mens, verduidelijkte hij. Degorski verblikte of verbloosde niet bij die ontboezeming. Integendeel.

‘Ik kan je wel helpen’, vertrouwde hij z’n buddy toe, terwijl hij verwoede pogingen deed om z’n enthousiasme te verbergen.

Het is de avond van de 8ste januari in 1993. Het is koud deze vrijdag. Het kwik wijst -6 aan en er ligt sneeuw op de grond. Het is inmiddels 21:00 uur geweest. De laatste klanten zijn  vertrokken uit het pand van Brown’s Chicken, want het is sluitingstijd. De frituren zijn uitgezet, de vloeren gedweild, en de tafeltjes afgenomen. Het enige wat Richard en Lynn Ehlenfeldt, en hun personeelsleden Guadalupe Maldonado (47), Thomas Mennes (32), Marcus Nellsen (31), Rico Solis (17) en Michael Castro (16) nog rest, is het opbergen van het eten. De dag zit er zo goed als op.

Buiten komt een aftandse Ford Tempo de parkeerplaats opgereden. De auto behoort toe aan de achttienjarige Juan Luna. Hij en Jim Degorski (20) stappen uit. Luna is niet onbekend met het restaurant. Hij heeft er tot afgelopen zomer gewerkt. De Ehlenfeldts waren zelfs nog even z’n baas geweest, tot hij in mei 1992 in goede verstandhouding z’n baan opzegde. Luna is dus precies op de hoogte van het reilen en zeilen van een Brown’s Chicken & Pasta op een vrijdagavond rond sluitingstijd. Luna weet ook dat er een kluis zit in de achterkamer van het pand, dat er een alarminstallatie ontbreekt, en dat de kans op aanwezigheid van klanten rond dat tijdstip het kleinst is.

De twee gaan zitten aan een tafeltje. Daar kibbelen ze er lustig op los. Luna heeft bij binnenkomst namelijk nog snel vier kippenpootjes besteld. Dom, voegt Degorski z’n maatje toe. ‘Vet laat vingerafdrukken achter, dumbass’, fulmineert hij.

De twee hebben hun plannen tot in de puntjes voorbereid. Zo dragen ze oude kleren en afgetrapte schoenen. ‘Die kunnen we na onze daad dan meteen weggooien’, hebben ze bedacht. Hun zakken zitten vol met .38-kaliber kogels. Over het motief van de twee kan dan ook geen enkele twijfel bestaan. Ze lopen daarom ook eerst naar de achterdeur van het restaurant, die normaliter alleen door het personeel wordt gebruikt. Die achterdeur barricaderen ze maar vast, voor het geval iemand straks poogt te ontsnappen. Ze lopen echter weer om het gebouw heen om via de voordeur naar binnen te gaan, als normale klanten. Luna opent de deur met de mouw van zijn trui over zijn hand, om geen vingerafdrukken achter te laten. En hoewel de klok dan al vier minuten over negen aanwijst, worden ze hartelijk begroet. De Ehlenfeldts hebben namelijk hart voor de zaak. Iedere klant is er één, sluitingstijd of niet.

De twee gaan zitten aan een tafeltje. Daar kibbelen ze er lustig op los. Luna heeft bij binnenkomst namelijk nog snel vier kippenpootjes besteld. Dom, voegt Degorski z’n maatje toe.

‘Vet laat vingerafdrukken achter, dumbass’, fulmineert hij. ‘Vingerafdrukken kunnen alles verpesten.’

Luna haalt z’n schouders op en begint aan een pootje te kluiven. Maar als Degorski door gaat met mopperen, gooit hij de rest toch maar in de afvalbak. Ze zijn hier per slot van rekening niet om te eten, realiseert Luna zich, en in navolging van Degorski trekt hij onder de tafel z’n meegebrachte latex-handschoenen aan.

‘Let’s do it’, zegt Degorksi.

‘Go’, knikt Luna.

De twee staan op en lopen naar de balie. ‘Dit is een overval’, zegt Degorski kalm, terwijl hij z’n revolver laat zien. Tom Mennes, één van de employees, springt over de balie en probeert te vluchten. Degorski bedenkt zich niet, en schiet hem in z’n rug.

‘I’m shot!’, schreeuwt Mennes, terwijl hij kermend ter aarde stort.

‘Draai je om’, snauwt Juan Luna, en snijdt op hetzelfde moment in één vloeiende beweging de keel van Lynn Ehlenfeldt door. ‘You bitch’, voegt hij haar nog toe.

Degorski sleept het lichaam vervolgens in één van de vriezers. Hij schreeuwt tegen de anderen dat ze daar ook naar binnen moeten gaan. De meesten doen verstijfd van angst wat van ze gevraagd wordt, maar ook Marcus Nellsen probeert via de achterdeur te vluchten. Degorski slaat ‘m met z’n revolver op het hoofd.

Luna, gewapend met een mes, zegt tegen Lynn Ehrenfeldt dat ze de de kluis moet openen. ‘En rap een beetje’, spoort hij haar aan.

Maar dat valt niet mee. Ze is bang en trilt dat het een aard heeft. Toch slaagt ze erin de kluis te openen, al is haar gestuntel bij Luna op z’n zenuwen gaan werken.

‘Draai je om’, snauwt hij, en snijdt op hetzelfde moment in één vloeiende beweging haar keel door. ‘You bitch’, voegt hij haar nog toe.

Waarom hij dat deed?, werd hem later tijdens zijn verhoor gevraagd. ‘Ik denk gewoon dat de spanning me even te veel werd’, antwoordde hij, schouderophalend.

‘Don’t shoot us, please don’t shoot us’, klinkt het in koor vanuit de vriezer. Degorski hoort het aan, terwijl hij neuriënd het bloed van Lynn Ehrenfeldt opdweilt. Dan voegt hij zich bij Luna, die moet zorgen dat er niemand ontsnapt, in de vriezer. Daarop worden één voor één de slachtoffers op koelbloedige wijze geliquideerd. In de vriezer is het een kakafonie van schoten, die nog eens worden versterkt door de echo en akoestiek. De ruimte vult zich met kruitdampen. De twee moeten hun .38-revolver tenminste drie keer hebben herladen, zo is later vastgesteld.

Als Luna even later de stroom uitschakelt, en zo Brown’s Chicken & Pasta in duisternis hult, wijst de elektrische klok aan de muur in het restaurant 9:52 pm aan. De twee moordenaars kijken elkaar nog even aan. De klus is geklaard, zegt hun beider blik.

Wie niet in de vriezer kijkt, zou geen moment bevroeden wat hier zojuist heeft plaats gevonden. Zoals iedere avond na sluitingstijd, is de vloer gedweild en zijn de tafeltjes afgenomen. Alles lijkt spic en span. De twee constateren tevreden dat niets in het pand hun aanwezigheid kan verraden. Op de vier kippenboutjes, waarvan één aangevreten, in de pas vervangen vuilniszak in de prullenbak na dan…

44 minuten nadat ze de Brown’s zijn binnen gegaan lopen Jim Degorski en Juan Luna weer naar buiten. Zorgvuldig glijden ze als uitgelaten kleuters door de voetstappen die ze drie kwartier eerder hebben achtergelaten. Met kolderieke bewegingen zorgen ze ervoor dat er van herkenbare afdrukken in de sneeuw geen sprake meer is.

Dan stappen ze in hun Ford Tempo en rijden richting het westen. Hun eerste stop is bij een vuilnisbak, waarin ze wat bebloede kledingstukken dumpen. De tweede stop is op een brug over de halfbevroren Fox River in Carpentersville. Daarin gooien ze hun revolver.

Vervolgens gaat ze op zoek naar een telefooncel, en bellen Eileen Bakalla, die werkt bij Jake’s Pizza in Streamwood. Bakalla is een vriendin van de twee.

‘Kom ons straks ophalen bij de Jewel/Osco in Carpentersville, op de hoek van Route 25 en Lake Marian Road’, zegt Degorski.

Ze doet wat haar gevraagd wordt. Als ze even later naast de Ford Tempo parkeert, valt haar oog meteen op een latex handschoen die op het dashboard ligt. De twee stappen, gewapend met een katoenen tas, bij haar in de auto. Ze rijden naar haar huis in Elgin, waar ze tot diep in de nacht zullen blowen.

‘We hebben iets groots gedaan’, krijgt Bakalla te horen, terwijl Degorski de buit in de katoenen tas telt. De poet bedraagt 1800 dollar. Bakalla krijgt 50.

‘We hebben iets groots gedaan’, krijgt Bakalla te horen, terwijl Degorski de buit in de katoenen tas telt. De poet bedraagt 1800 dollar. Bakalla krijgt 50.

‘Voor het ophalen, de wiet, en het wegbrengen straks’, zegt Degorski. Ze zal er in de Spring Hill Mall in West Dundee later een paar schoenen voor kopen.

Ver na middernacht – het is zelfs al weer bijna ochtend – zet Bakkala Juan Luna af bij zijn auto in Carpentersville, en brengt ze Jim Degorski naar z’n appartement in Hoffman Estates. Hij vraagt haar via Route 14 in Palatine te rijden. Als ze Brown’s Chicken & Pasta passeren, en zien dat het daar blauw en rood staat van de politie, brandweerauto’s en ambulances, merkt hij droog op: ‘Daar is meer gebeurd dan alleen een overval.’

Terug naar de avond van 8 januari.

Het loopt tegen elven als Manny Castro de parkeerplaats van Brown’s opdraait. Zowel de parkeerplaats – afgezien van vijf auto’s die netjes naast elkaar in een hoek staan geparkeerd – als het restaurant zelf zien er donker en verlaten uit. Castro heeft last van een wat zeurende buikpijn. Zijn zestienjarige zoon Mike is vanavond niet thuisgekomen. Hij had tot negen uur moeten werken bij Brown’s. Normaliter komt hij na z’n shift vrijwel altijd meteen naar huis. En zo niet, dan laat hij dat altijd even weten. Maar vanavond dus niet. Geen Michael en geen belletje.

Manny Castro voelt dat er iets niet in de haak is, maar rijdt toch maar weer naar huis, dat op zo’n 500 meter van het restaurant ligt. Misschien is ie toch nog even met wat collega’s weggegaan, denkt hij.

Hoopt hij.

Thuis tikken de minuten tergend langzaam voorbij. Veel te langzaam, naar z’n zin. Hij besluit daarom opnieuw op zoek te gaan. Hij stapt andermaal in z’n auto en rijdt langs verschillende fastfood restaurants in de omgeving. Maar er is geen spoor van Michael te bekennen.

Eenmaal weer thuis gaat de telefoon. Het is de moeder van de zeventienjarige Rico Solis, een vriend en collega van Mike. Ook hij is niet thuisgekomen, en dat is helemaal niks voor hem, zegt ze. Om Rico heeft zich ze zich nooit één seconde zorgen hoeven maken, zegt ze. Tot vanavond. Ze maakt zich echt enorme zorgen.

Dat doet Manny Castro ook. ‘Ik bel de politie’, belooft hij. Even later stapt hij in z’n auto om samen met z’n vrouw naar Brown’s te rijden. Daar staat politieagent Dan Bonneville hen al op te wachten. Het is inmiddels één uur ’s nachts geweest.

‘Maak je geen zorgen’, houdt Bonneville de bezorgde ouders voor. ‘Michael hangt vanavond waarschijnlijk gewoon de typische tiener uit.’ Bonneville beweert bovendien dat hij alle deuren van het restaurant al heeft gecontroleerd. Alles is dicht en verlaten, meldt hij de Castro’s.

Agent Conley heeft echter wat anders in het vizier. Verderop in de gang staat een deur open. Het is de deur van wat later één van de vriezers zal blijken te zijn. Uit die deuropening steekt een arm, die, zo lijkt het, in een plas met bloed ligt.

Bonneville is overigens niet de eerste agent die komt buurten bij het restaurant. Even na middernacht was agent Ron Conley al afgekomen op een man die zich verdacht bij het restaurant had opgehouden. Die man was Pedro Maldonado, die op zoek was naar z’n broer Guadelupe. Die was tegen z’n gewoonte in namelijk niet thuis gekomen van z’n werk als kok bij Brown’s. ‘Normaal komt Guadelupe altijd thuis rond half tien’, vertelt Paul agent Conley. ‘Ik kwam kijken waar hij blijft.’

Paul Maldonado had hetzelfde gezien als Manny Castro eerder die avond. Alles was donker en verlaten, op de vijf geparkeerde auto’s in de hoek na. Eén van die auto’s is van Guadelupe, wist Paul. Hij had geprobeerd door de ramen van het restaurant naar binnen te turen, maar zag – zo dat door de duisternis al mogelijk was – niets bijzonders. Maldonado kreeg van Conley daarop hetzelfde te horen als wat agent Bonneville Manny Castro had verteld: ‘Misschien zijn ze ergens een hapje aan ’t eten.’

Het is inmiddels tegen drie uur in de ochtend als Manny Castro voor de derde keer naar Brown’s rijdt. Daar ontmoet hij agent Conley. Methodisch gaan de twee nu om het gebouw heen. Ze morrelen aan deuren en turen door alle ramen. Aan de achterkant van het gebouw heeft Conley plotseling beet. Als hij aan de deur van de personeelsingang morrelt, gaat die plotseling open. Castro, die achter Conley staat, kijkt over de schouder van agent naar binnen.

‘Dat is Michaels jas!’, roept hij, wijzend op de kapstok.

Agent Conley heeft echter wat anders in het vizier. Verderop in de gang staat een deur open. Het is de deur van wat later één van de vriezers zal blijken te zijn. Uit die deuropening steekt een arm, die, zo lijkt het, in een plas met bloed ligt. Als Castro langs hem de gang in wil schieten, blokkeert Conley gedecideerd de deur.

‘Dit is een crime scene’, zegt hij…

Dit is deel 1 van het verhaal. Klik hier voor deel 2/het vervolg (en slot).

 

Waardeer dit artikel!

Dit artikel las je gratis. Vond je het de moeite waard? Dan kun je jouw waardering laten zien door een kleine bijdrage te doen. Reuze makkelijk, via bijvoorbeeld iDEAL. Bedankt alvast!

Mijn gekozen waardering € -
Back To Top